Onderwijsrecht: actuele onderwerpen

primair onderwijs / voortgezet onderwijs / middelbaar beroepsonderwijs / hoger onderwijs

advocaat onderwijsrecht

Nieuwsberichten

CBHO oordeelt over onderzoekshandeling fraude

Een studente aan de Vrije Universiteit wordt aangesproken op een vermoeden van fraude. Dat vermoeden kan echter niet worden onderbouwd. De studente wordt, om elke twijfel wel te nemen, verzocht haar these ten overstaan van twee onafhankelijke deskundigen te verdedigen.

De studente kan zich niet met de gang van zaken verenigen en stelt de kwestie aan de orde bij het College van Beroep voor de Examens. Het CBE acht het beroep ongegrond. De studente laat het er niet bij zitten en gaat door naar het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs.

De belangrijkste overweging van het CBHO is de volgende:

Omdat de verdediging het vermoeden van fraude volgens de examensubcommissie niet heeft kunnen bevestigen, heeft zij geen bestuurlijke sanctie opgelegd als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Gelet op het voorgaande dient de verdediging ten overstaan van de deskundigen te worden aangemerkt als een onderzoekshandeling in verband met het vermoeden van fraude. Daarmee is de brief van 21 november 2019 niet zelfstandig op rechtsgevolg gericht, maar gaat het om een feitelijke (onderzoeks)handeling. De brief heeft immers slechts feitelijk tot gevolg dat appellante in de gelegenheid wordt gesteld haar masterthese te verdedigen. 

Het beroep van de studente wordt op dit punt niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak opent de weg naar de civiele rechter. Uit de uitspraak volgt immers dat de onderzoekshandeling an sich niet gebaseerd is op een bevoegdheid voortvloeiende uit de WHW. To be continued?

Uitspraak 12 augustus 2020, CBHO 2020/049

CBHO schept duidelijkheid over toepassing artikel 7:28 Awb

Een student aan de Universiteit van Tilburg gaat in beroep tegen een negatief bindend studieadvies (nbsa). Naar aanleiding van zijn beroep, wordt besloten de student een kans te geven en het nbsa in te trekken.

De student meent dat op terechte gronden beroep is aangetekend en wenst een tegemoetkoming in de proceskosten. Hij trekt het beroep in en verzoekt het College van Beroep voor de Examens (CBE) de examencommissie op grond van artikel 7:28 Awb in de kosten van de procedure te veroordelen.

Het CBE volgt de procedure niet correct. De student besluit daarom in beroep te komen bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs. Het CBHO acht het beroep ongegrond, doch bevestigt met zijn uitspraak dat een student bij intrekking van het beroep bij het CBE op grond van artikel 7:28 Awb kan verzoeken om toekenning van een proceskostenveroordeling. Daarmee schept het CBHO duidelijkheid over de toepassing van voornoemd artikel en hoe om te gaan met dergelijke verzoeken.

Uitspraak 24 juli 2020, CBHO 2020/045

CBHO verklaart beroep tegen beoordeling afstudeeropdracht gegrond

Een student aan de Hogeschool Rotterdam ontvangt voor zijn afstudeeropdracht het cijfer 5.4. Dit cijfer is tot stand gekomen middels een beoordeling door twee examinatoren. Die examinatoren zijn aan de hogeschool verbonden. De afstudeeropdracht is uitgevoerd in de praktijk en de student heeft daarvoor een stagebegeleider/bedrijfsbegeleider toegekend gekregen.

De bedrijfsbegeleider schrift een advies, waarin hij aangeeft dat de student in zijn optiek in de praktijk naar behoren heeft gefunctioneerd. Hij kent de student een voldoende toe. De student kan zich niet met de beoordeling van zijn docenten/examinatoren verenigen. In zijn optiek hadden zij het oordeel van de bedrijfsbegeleider bij de beoordeling moeten betrekken. Dit standpunt baseert de student op de geldende onderwijsregelgeving, waaronder de onderwijs- en examenregeling (OER) en de afstudeerhandleiding.

Het College van Beroep voor de Examens (CBE) oordeelt dat de beoordeling voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de afstudeerhandleiding zou volgen dat het slechts om een advies zou gaan. Voor zover anders uit de afstudeerhandleiding zou blijken, zou dit een fout zijn.

Het CBHO zet een streep door dit oordeel en oordeelt als volgt: 2.4.4. Het College is van oordeel dat het CBE een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de regels die de opleiding in de afstudeerhandleiding heeft opgesteld. De adviesbeoordeling is duidelijk onder het kopje “afstudeerverslag” ondergebracht, zodat deze bij de beoordeling daarvan dient te worden betrokken. Indien het CBE van oordeel is dat dit per abuis is gedaan, dient hij de opleiding te verzoeken de regels in de afstudeerhandleiding aan te passen. Het CBE mocht in ieder geval niet ten nadele van de student een uitleg geven aan de afstudeerhandleiding die niet strookt met de letterlijke bewoordingen daarvan. Voorts is het College van oordeel dat het oordeel van de bedrijfsbegeleider niet slechts een advies is, waarvan zonder nadere motivering kan worden afgeweken. Dit geldt temeer nu het oordeel van de bedrijfsbegeleider ook ziet op aspecten die een rol spelen bij het afstudeerverslag. Het CBE heeft dit ten onrechte niet onderkend. Het betoog slaagt.

Gelet op de uitspraak zal opnieuw naar de beoordeling moeten worden gekeken. De vraag is hoe de kwestie zal uitvallen. De student had immers al een 5.4 gekregen en de beoordeling van de bedrijfsbegeleider luidt voldoende.

Uitspraak 16 maart 2020, CBHO 2019/172/CBE

Haagse Hogeschool geeft te vroeg bindend studieadvies

Een student schrijft zich in voor een opleiding aan de Haagse Hogeschool. Op het moment van inschrijving loopt er een strafzaak tegen de student.

Het toeval wil, dat de student wordt geplaatst in een klas waarin het vermeende slachtoffer in die strafzaak ook is geplaatst. Dit vermeende slachtoffer meldt dit, waarna de student direct van het onderwijs wordt uitgesloten. Het duurt een flink aantal maanden voor de student weer wordt toegelaten.

Door de onterechte uitsluiting van het onderwijs lukt het de student niet aan de studievoortgangsnorm te voldoen. Hij krijgt een negatief bindend studieadvies (nbsa/bas). De Haagse Hogeschool geeft aan rekening te hebben gehouden met de situatie, zodat slechts een half jaar van de onderwijsperiode als uitgangspunt wordt genomen bij de beoordeling van de vraag of een nbsa kan worden gegeven. Hij heeft immers door de uitsluiting een flink aantal maanden niet kunnen studeren.

De student stelt zich, na in het ongelijk te zijn gesteld bij het College van Beroep voor de Examens (CBE/COBEX), op het standpunt dat dit niet kan. Op grond van artikel 7.8b eerste lid WHW dient de student een zekere tijd te krijgen om zijn kennen en kunnen aan te tonen. Die tijd is hem niet gegund.

Het College van Beroep voor het Onderwijs (CBHO) stelt de student in het gelijk en oordeelt dat de Haagse Hogeschool de student nog geen nbsa heeft kunnen geven. Het beroep wordt gegrond verklaard.

De uitspraak wordt nog gepubliceerd. Meer informatie is te vinden via de volgende link: https://www.cbho.nl/zaken/voortgang-van-de-zaken/in-behandeling/2019/01/zaak-2019-165-cbe

CBHO neemt onvooringenomenheid examinatoren aan

Een student aan de Hogeschool Utrecht kan zich niet verenigen met de beoordeling van zijn afstudeerscriptie. Het werk, dat eerder met een onvoldoende is becijferd, is door hem herkanst. De beoordeling blijft echter gelijk en er is sprake van knip- en plakwerk. De student komt hiertegen in beroep en verzoekt tevens om een herbeoordeling door andere examinatoren.

Het College van Beroep voor de Examens verklaart het beroep gegrond en komt tot het oordeel dat de beoordeling onvoldoende is gemotiveerd. Het verzoek om herbeoordeling door andere examinatoren wordt afgewezen. Tijdens de zitting bij het CBE geven de examinatoren aan dat zij niet naar de in beroep aangevoerde argumenten van de student hebben gekeken omdat zij 100% zeker zijn van de beoordeling. Zodoende heeft de student er geen vertrouwen in dat de herbeoordeling anders zal uitvallen.

De student stelt beroep in bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs. Het CBHO komt tot het oordeel dat de opstelling van de examinatoren tijdens de zitting bij het CBE onvoldoende aanleiding vormt van vooringenomenheid uit te gaan. Zodoende wordt het beroep ongegrond verklaard.

Wel wordt het beroep gegrond verklaard op een formeel punt. De examencommissie heeft de mogelijkheid van bezwaar opengesteld. De wet (WHW) kent die mogelijkheid echter niet: ‘Gelet op de voorgeschreven poging tot een minnelijke schikking heeft een dergelijke bezwaarprocedure ook geen toegevoegde waarde, terwijl de extra procedure voor studenten vertragend werkt en mogelijk problemen met termijnen oplevert. De omstandigheid dat de bezwaarfase optioneel is, verdraagt zich evenmin met het systeem van de WHW. ‘

Uitspraak 29 juli 2019, CBHO 2019/057

Beroep op Algemene Wet Gelijke Behandeling in vovo bij CBHO slaagt

Een studente aan de Haagse Hogeschool verzoekt op grond van artikel 2 van de Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) om toekenning van een voorziening bij het maken van tentamens in verband met haar functiebeperking. Die voorziening ziet op het in een afgezonderd lokaal mogen maken van het tentamen. De hogeschool wijst het verzoek af omdat de voorziening volgens haar vanuit kostenperspectief (€ 3.000,– per jaar) een onevenredige belasting zou vormen. Het College van Beroep voor de Examens (CBE) bekrachtigt de afwijzing.

De studente laat het er niet bij zitten en tekent beroep aan bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO). Hangende de beroepsprocedure dient zij een verzoek om een voorlopige voorziening in. Het CBHO wijst deze voorziening toe en komt tot het voorlopige oordeel dat het financiële belang van de hogeschool niet opweegt tegen de belangen van de studente. In de bodemprocedure zal blijken of dit voorlopige oordeel stand houdt.

Uitspraak 6 juni 2019, CBHO 2019/056.1

Overzicht

Volgen

Contactformulier

Contactgegevens

  • Parkstraat 20, 2514 JK Den Haag
  • tel: 070-3235825
  • fax: 070-3233629
  • e-mail: info@onderwijsrecht.nl

Copyright 2018 Verspaandonk Advocatuur