Een student geneeskunde aan de Erasmus Universiteit maakt zich over de jaren schuldig aan meerdere gedragingen. Na beëindiging van de relatie tussen de student en een leerling-verpleegkundige heeft de student gedreigd om opwindende selfies van haar op te hangen in het Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis, het ziekenhuis waar zij als leerling-verpleegkundige zou gaan werken. Deze laatste gedraging doet de universiteit besluiten de inschrijving van de student op grond van artikel 7.42a van de WHW (het zogenoemde Iudicium Abeundi) te beëindigen. Het hanteren van deze bevoegdheid brengt met zich dat de student de opleiding niet kan afronden, ook niet aan een andere universiteit.

Naast een betwisting van de verweten gedragingen en de ernst daarvan, stelt de student zich op het standpunt dat de gedragingen in tuchtrechtelijk opzicht niet zouden leiden tot een ontzegging van de bevoegdheid het beroep van arts uit te oefenen en de doorhaling van de inschrijving in het BIG-register.

In zijn uitspraak licht het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs toe hoe het beoordelingskader dient te worden ingevuld. Het CBHO overweegt:

‘Zoals uit overweging 2.5.2 volgt, is hierbij niet doorslaggevend dat de gedragingen van appellant in tuchtrechtelijk opzicht zouden leiden tot een
ontzegging van de bevoegdheid het beroep uit te oefenen en de doorhaling van de inschrijving in het BIG-register. De ter zitting van het College aangehaalde tuchtrechtelijke uitspraken, die volgens appellant gaan
over ernstigere gedragingen en niet hebben geleid tot de zwaarste tuchtrechtelijke sanctie, leiden daarom niet tot het beoogde doel.’

Uit de uitspraak volgt dat niet lichtvaardig mag worden besloten de student op grond van het Iudicium Abeundi uit te schrijven, doch dat niet per definitie sprake hoeft te zijn van gedragingen die, bij de uitoefening van het beroep van arts, tot ontzetting uit het beroep zouden leiden. In de onderhavige kwestie was van belang dat de student eerder soortgelijk gedrag had vertoond, doch volgens de universiteit niet corrigeerbaar bleek te zijn. De universiteit heeft daarom in redelijkheid van de bevoegdheid neergelegd in artikel 7.42a WHW gebruik mogen maken.

Uitspraak 26 juni 2020, CBHO 2019/156