Een student heeft een geschil met de Erasmus Universiteit over zijn afstudeeropdracht. Zijn opdracht wordt lager becijferd dan verwacht en het beoordelingstraject kent een aantal onvolkomenheden. De student beklaagt zich hierover. Hij hoopt de kwestie met de examencommissie op te kunnen lossen, doch als dat niet lukt besluit hij beroep aan te tekenen.

Het CBE komt tot het oordeel dat de student niet in het beroep kan worden ontvangen omdat hij niet tijdig beroep zou hebben aangetekend. De student besluit de ontvankelijkheid ter discussie te stellen in een beroepsprocedure bij het CBHO. Het CBHO oordeelt als volgt:

2.4.3. Blijkens artikel 5.5, vierde lid, van het Studiereglement moet een cijfer middels een schriftelijke verklaring bekend worden gemaakt, waarin wordt gewezen op het inzagerecht en de administratieve beroepsmogelijkheid bij het CBE. Het cijfer voor de bachelorscriptie van appellant is niet op de voorgeschreven wijze – dat wil zeggen conform deze bepaling – bekend gemaakt, nu appellant niet via bedoelde schriftelijke verklaring op de hoogte is gesteld van het cijfer. De publicatie van het cijfer op 17 juli 2020 op de lijst “Resultaten bachelor” in OSIRIS kan niet als een dergelijke schriftelijke verklaring worden beschouwd. Bij de resultaten op OSIRIS is geen melding gemaakt van het inzagerecht en de administratieve beroepsmogelijkheid. Daar komt bij dat onderaan de lijst staat vermeld dat aan de gegevens op de lijst geen rechten kunnen worden ontleend. 

Het beroep wordt gegrond verklaard, met als gevolg dat het beroep van de student alsnog inhoudelijk moet worden beoordeeld.

CBHO 15 maart 2021, zaaknummer 2020/191/CBE