Studenten die tijdens hun studie vertraging oplopen door bijzondere (persoonlijke) omstandigheden, kunnen financiële ondersteuning ontvangen uit het Profileringsfonds. In artikel 7.51c WHW is opgenomen:

Een student komt voor de financiële ondersteuning, bedoeld in de artikelen 7.51 tot en met 7.51b, uitsluitend in aanmerking, indien:

  • a.de student voor de desbetreffende opleiding wettelijk collegegeld is verschuldigd; en
  • b.de student voor die opleiding aanspraak heeft of aanspraak heeft gehad op de prestatiebeurs hoger onderwijs als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Onderwijsinstellingen dienen zelf een regeling op te stellen ter zake van de aanspraak op een ondersteuning uit het Profileringsfonds. Hogeschool Avans heeft in haar regeling opgenomen:

“De aanvraag wordt ingediend tijdens de prestatiebeursperiode, bij voorkeur 2 tot 6 maanden
voordat de prestatiebeursperiode eindigt, zodat de uitkering hierop kan aansluiten.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend na afloop van de prestatiebeursperiode, wordt
deze niet ontvankelijk verklaard. Let op: uitkering met terugwerkende kracht vindt niet plaats.”

Een studente die geen prestatiebeurs meer ontvangt, dient een verzoek in bij de hogeschool. Dat verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van de regeling. Zij tekent zonder succes bezwaar aan. Vervolgens gaat zij in beroep bij het CBHO.

In beroep wordt aangevoerd dat de regeling in strijd is met de wet en aldus onverbindend, nu daarmee een categorie studenten wordt uitgesloten. Studenten die niet langer prestatiebeurs genieten, kunnen immers geen verzoek meer indienen. Het CBHO oordeelt:

2.4. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7.51 c, van de WHW (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 840,
nr. 3, p. 6-7) is vermeld dat met dit artikel de kring van belanghebbende studenten is afgebakend. Om in
aanmerking te komen voor een tegemoetkoming uit het profileringsfonds moet de student aanspraak hebben of
hebben gehad op de prestatiebeurs. De totstandkomingsgeschiedenis vermeldt verder dat deze eis voortvloeit uit
de gedachte dat de financiële tegemoetkoming verband houdt met de omstandigheid dat de student ten gevolge
van de in de artikelen 7.51, 7.51 a en 7.51 b beschreven omstandigheden (bijzondere omstandigheden, langere
studieduur en verlies van accreditatie) benadeeld is voor wat betreft zijn aanspraak op prestatiebeurs. Het College
leidt uit het voorgaande af dat de wetgever met artikel 7.51 c, van de WHW er voor heeft gekozen om bij wet vast
te stellen welke categorie studenten in aanmerking komen voor een tegemoetkoming uit het profileringsfonds.
Naar het oordeel van het College is artikel 12, derde lid, van de Regeling Profileringsfonds in strijd met de
strekking van dit artikel, omdat een categorie van studenten bij voorbaat wordt uitgesloten zonder dat een
inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden.

Het beroep wordt gegrond verklaard. De studente dient alsnog in haar aanvraag te worden ontvangen. Vraag is hoeveel studenten eerder gedupeerd zijn door de wijze waarop Avans Hogeschool met het Profileringsfonds is omgegaan.

CBHO 30 maart 2021, zaaknummer 2021/006.5